Ik hoorde dit nummer van Patricia Kaas, les hommes qui passent, en was direct verkocht. Het nummer raakt direct elke vezel in je lichaam. En ik begrijp het nummer. Dat is het triestige van het verhaal. Laat de tranen maar vloeien…
Ik hoorde dit nummer van Patricia Kaas, les hommes qui passent, en was direct verkocht. Het nummer raakt direct elke vezel in je lichaam. En ik begrijp het nummer. Dat is het triestige van het verhaal. Laat de tranen maar vloeien…
36 conceptberichten staan te wachten om gepubliceerd te worden.
Enjoy the silence, cause talking takes too much energy.
Ik ben een leugenaar. Een tijdelijke leugenaar, want ik haat liegen. Op de vraag “hoe gaat het?” heb ik de laatste weken het meest gelogen. Om niemand zorgen te geven – want iedereen heeft er tegenwoordig genoeg – heb ik altijd steenvast “ça va” geantwoord. Nooit heb ik de moed gehad om “miserabel” uit te spreken. Ik zie de gezichten al zo voor mij. “Wat is er? Is er iets gebeurd?”. Nee, laat maar. De meeste mensen stellen deze vraag enkel maar uit gewoonte. De rest uit beleefdheid. Ze verwachten niet dat je “slecht” zegt. Eigenlijk zijn ze er ook niet geïnteresseerd in. Enkel bij positieve zaken willen ze alles weten. Dan zijn ze zo nieuwsgierig. Onbeleefd nieuwsgierig. “Hoe komt het?” “Aléé ne jongen ontmoet – en waar woont hij? hoe oud is hij? En hoe was jullie eerste afspraakje”. Ja inderdaad. Aasgieren zijn het.
Van het moment dat je een iets wat negatief antwoord op tafel gooit, krabbelen ze terug. Ze verzinnen wat. “Ik moet naar euhm een vergadering” of ze krijgen ineens telefoon. De ganse dag negeren ze je. En pas als het effectief weer beter gaat, komt die stomme vraag weer boven drijven: Hoe gaat het? Rot op, denk ik dan.
Mensen denken met deze vraag vriendelijk over te komen. Maar niets is minder waar. Als je niet wilt dat ik “slecht” antwoord, stel ze dan niet. Maar aangezien niemand uit mijn omgeving deze blog leest, heb ik mijn voorzorgen al genomen. Ik heb gelogen en altijd maar “ça va” gezegd. Maar ik voel me niet goed bij liegen. Ik haat leugenaars en dus heb ik mij weken aan een stuk slecht gevoeld. Schuldig. Maar tegelijkertijd heb ik mijn geest gesust met het feit dat ik niemand tot last ben geweest.
Niemand heeft last gehad van mijn verdriet. Ik heb niemands tijd gebruikt. Ik heb jullie allemaal met rust gelaten.
En laat me nu dan ook maar met rust.
Met mijn verdriet. Maar “ça va”, dat gaat wel over.
Wat deed Alimonia op zaterdag 21 november? Shoppen? Naar de film gaan met vriendinnen? Lekker gaan uit eten? Naar de zee gaan? Nee. Niets van dit allemaal. Ik had die dag maar één missie: mijn verloren oorbel terugvinden. De missie was niet zo moeilijk. Ofwel had ik het verloren in de trein en dan zou het onmogelijk zijn om het terug te vinden oftewel moest het gevallen zijn tussen het perron van de trein en de bus. Zonder al te veel hoop vertrok ik naar de plaats waar het voorval moest gebeurd zijn. Als een zotte – gelukkig was er niet al te veel volk – begon ik op de grond te zoeken. Bij elke stap dat ik zette, krijg ik minder en minder lucht. “Het is weg”, dacht ik bij mezelf. “Koop je toch nieuwe”, probeerde ik mezelf te sussen. Maar zo snel gaf ik me niet gewonnen. Ik liep een paar keer heen en weer over de weg die ik vrijdag afgelegd had. “Het moet hier toch ergens liggen”, dacht ik keer op keer.
Ondertussen was de bus die ik moest nemen om terug naar huis te gaan al vertrokken. “Verdomme nog aan toe. Moet ik nog één uur wachten!”. Maar zo snel geef ik niet op. Ik ben erg gehecht aan mijn oorbellen. Als ik één verslaving heb, dan zijn het wel oorbellen. Ik zit aan 25 paar. Maar het zijn als kindjes voor mij. Ze zijn allemaal even mooi én belangrijk. En dus stapte ik het station zelf binnen. “Meneer, is er misschien gisteren geen oorbel gevonden.”, probeerde ik zonder al te veel zelfvertrouwen. De meneer achter het loket haalde vanachter zijn bureau mijn tweede oorbel te voorschijn.
“Het geluk zit soms in een klein hoekje….of in dit geval: achter het loket”
Heel even voelde ik mij als een klein kind dat zijn Sinterklaasgeschenkjes opent en krijgt wat hij effectief gevraagd had. Ik was zo blij. Zo gelukkig.
En dat allemaal om een verloren oorbel.
Was alles maar zo simpel.
Frustratie is deze jonge meid van 9 jaar uw cello stuk zien spelen dat ik ooit vroeger kon. Maar binnenkort kan ik dit ook weer! Nog een paar weken….
En toen kwam mijn mama binnen. Op het moment dat ik het vlijmscherpe mes op mijn polsen wou zetten. Het mes had nog niet eens mijn lichaam geraakt of ze stond ineens aan mijn deur. “Wat doe je daar?” riep ze luid. “Euhm” fluisterde ik zachtjes. Ik probeerde ter plekke wat te verzinnen, maar geraakte niet verder dan “euhm, hmmz en tja”. Ze zuchtte. “Wat is er toch aan de hand met jou, Alimonia” zei ze op een rustigere toon terwijl ze zich naast mij neer kwam zetten.
Ik zei niets en keek haar met droevige ogen aan.
“Geen idee” ging ik verder. “Ik wil niet meer…” snikte ik. “Wat wil je niet meer?”, vroeg ze. “Zeg het mij” dreigde ze zelfs een beetje. Ik haalde mijn schouders op. “leven” zei ik haar. “Maar meid toch” zei ze terwijl een paar tranen over haar gezicht rolden. Ze probeerde mij vast te nemen, maar ik liet haar niet toe. Ik hou niet meer van knuffels. Ik ben kieskeurig. Ik hou er niet van dat mensen mij aanraken.
“Wat is er toch?” probeerde ze nog een keer. Ik kon niet veel zeggen. Want ik praat al weken niet meer. Niet echt. Ik gebruik woorden en zet ze in een volgorde zodat een zin wordt gevormd. Maar ze betekenen niets. Het is maar opvulsel van stilte. En dus liet ik haar mijn gedichten lezen. Mijn verhalen zonder einde.
Ze weende.
Maar ik lachte.
“Ik ben gelukkig moeder”, fluisterde ik haar toe. Maar ze geloofde me niet en ging weg.
Met het mes.
Ik ben een echt prijsbeest. Ik kick op prijzen, medailles, complimenten… Zo heb ik ontzettend veel medailles van vroegere loopwedstrijden. Een periode waar ik nog sportief was. Nu loop ik enkel nog van mijn trein naar mijn bus en omgekeerd. En enkel als ik geen hakken aanheb, want anders is de kans vrij groot dat ik val. En met een gebroken been kan ik nu eenmaal helemaal niet meer lopen.
Ooit behaalde ik een top 3 plaats voor een dactylo wedstrijd. Ik was fier. Maar mijn ouders nog trotser. “Dat staat later mooi op je cv” vertelden zij mij toen. Ik had nog nooit de lettercombinatie “cv” gehoord en knikte maar. Ze straalden.
En zo bleef het maar doorgaan, met als kers op de taart een prijs voor mijn eindwerk. Ik was gelukkig. Fier. Trots. Dat geluk bleef echter maar even duren. Een half uur schat ik. En dan kwam de onzekerheid. Heb ik deze prijs wel verdiend gewonnen? Ooit in een ver verleden won ik namelijk een prijs met een tekening. Maar achteraf bleek dat ze zich vergist hadden en ik eigenlijk niet hoorde gewonnen te hebben. Maar een kind een prijs afpakken is zo goed als er zeker van zijn dat hij hier een trauma aan overhoudt. En dus lieten ze mij maar als winnaar staan.
Ik herinner mij nog goed alle momenten dat ik mijn prijs in ontvangst mocht nemen. Het is een gevoel dat je niet kunt omschrijven. Maar ik herinner mij nog meer het gevoel dat ik achteraf ervaarde. Dat duurde jammer genoeg langer dan de overwinningsroes. Een enorme teleurstelling. In jezelf. Want achter elke overwinning hangt er een verhaal aan vast. Aan elke medaille hangt er namelijk een keerzijde. Hoeveel heb ik niet verloren met mijn obsessie voor te winnen? Wat heb ik er eigenlijk mee verdiend? Wat ben je in godsnaam om als “winnaar” uit de bus te komen?
En dus kan ik nooit genieten van mijn prijzen. Nooit. Hetzelfde heb ik met complimenten. Ik lach, knik, bedank de mensen in sommige gevallen en draai uiteindelijk mijn hoofd weg. Zodat ze mijn tranen niet zouden kunnen zien. Want ik kan er nog steeds niet mee overweg. En dat is jammer want ik verlang zo naar een compliment. Sinds ik mij op de arbeidsmarkt bevind, krijg ik geen ‘punten’ meer. Niemand geeft mij een prijs. Niemand feliciteert mij. En ik heb er zo’n nood aan. En daarom loop ik tegenwoordig rond met een medaille rond mijn nek.
Ik ben de winnaar. En tevens de verliezer van alle mooie zaken.
En toen voelde ik mij terug als een baby. Buiten het feit dat een pasgeborene vol energie zit, hebben we veel gemeen. We moeten alles voor de eerste keer nog leren. In zijn geval zijn dat leuke dingen zoals spreken, wandelen, eten,… In mijn geval zijn het iets gecompliceerdere zaken. Maar soit. Een kind is leergierig, ik normaalgezien ook. Maar de angst houdt me tegen om nieuwe zaken aan te leren. En dus blijf ik maar lui liggen in mijn wieg. Het is er wel te klein, maar ik plooi mijn benen wel op. Liever dan dat ik moet rondhuppelen en nog niet niet eens kan staan op mijn benen. En dus blijf ik ganse dagen in mijn wieg liggen. Wenend, als een klein kind. En dus vraag ik u vriendelijk om mij in de wieg te laten liggen want ik ben moe, héél moe.
Maar u mag nog wel een slaapliedje zingen voor mij. En liefst dit dan nog. Snel, want mijn oogjes zijn al toe!